6 maart 2017

Scholen doen het goed en: het kan altijd beter: lessen uit onderzoek Oldenburg

By |6 maart 2017|Nieuws, Pesten op school, Workshops|

Eind januari stonden de media bol van het opzienbarende nieuws naar aanleiding van het onderzoek van Beau Oldenburg: ‘Leraren moeten pesten tegengaan? Ze hebben geen idee wie er gepest wordt’ (RTL Nieuws); ‘Klaagt leerling over pesters? Wuif het niet weg (AD); ‘Gepest in de klas? Dan is de leraar verantwoordelijk’ (Seven Days). Wat staat er nu eigenlijk in dat onderzoek en wat kunnen we ervan leren?

Sommige leerkrachten kregen het gevoel dat zij het ‘weer eens niet goed doen’. De leerkracht aan de schandpaal nagelen, is niet terecht en de frustratie en boosheid die dat oproept is zonde van de energie. Wij hebben het in onze nieuwsbrieven al eerder gezegd: als leerkracht is het onmogelijk om alles wat er onder leerlingen speelt te zien en het praten over pesten is voor leerlingen niet gemakkelijk. Laten we kijken wat leerkrachten wél kunnen.

1.
Er blijkt meer pesten voor te komen in klassen waarin de leerkracht het pesten toeschrijft aan externe factoren. Logisch, als je denkt dat pesten plaatsvindt omdat pesters slecht worden opgevoed of omdat slachtoffers door hun ouders in de watten worden gelegd en daardoor overdreven gevoelig worden, zal je minder doen tegen pesten. Wat dus nodig is, is een juist beeld bij allen in het onderwijs werkzaam, van welke factoren pesten veroorzaken en verergeren. Ani-pestcoördinatoren kunnen een goede rol spelen in het verduidelijken hiervan. Bij pesten speelt een grote rol dat pesters graag macht willen om zo een hoge status te bemachtigen of te houden.

Gesprek over de pauze

2.
Van de 71 leerlingen die zelf aangeven gepest te worden, zijn maar 18 leerlingen die als pestslachtoffer worden herkend door hun leerkracht. Dit verschil is niet weg te redeneren door bijvoorbeeld te zeggen dat sommige pestslachtoffers hun situatie overdrijven, zoals soms zal gebeuren. Hierover kan nog veel meer worden gezegd en tegenin worden gebracht, maar dat doen we nu niet. De focus ligt op: hoe kunnen we ervoor zorgen dat meer leerkrachten pestslachtoffers herkennen? Er is een veelheid aan mogelijkheden die leerkrachten hebben. We hebben er al eerder nieuwsbrieven aan gewijd.
We noemen er hier drie:
a. Laat kinderen na de pauze in een kring eens vertellen wat ze in de pauze leuk en niet leuk vonden van het gedrag van andere kinderen. En dan zonder de naam van de ander te noemen. De kinderen weten vaak wel wie er wordt genoemd, maar dat wuif je weg. Is (nu nog) even niet belangrijk. In het gesprek over het gebeurde (wat deed die ander dan precies? wat vond je er niet leuk van? wie kan zich dat voorstellen? is er iets wat een ander had kunnen doen voor jou?) komt impliciet aan de orde: wat zijn grenzen van een ander; welke normen en waarden hebben wij hier in de groep, etc. Je kunt het gesprek ook leiden naar een afspraak die we met elkaar kunnen maken. Wees zelf mild: veroordeel het gedrag niet als vreselijk, maar doe ook niet net alsof het oké is. We doen allemaal wel dingen waarvan we later denken dat we dat liever niet hadden gedaan. Heel leuk was dat een kind in de groep iets vertelde over de ander, en toen het gesprek hierover klaar was kwam de ‘dader’ met iets dat hij niet fijn had gevonden wat ‘het slachtoffer’ deed. Daar moest de groep om grinniken. Mooi dat dit gebeurde. Soms is naar gedrag immers een reactie op ander naar gedrag.
b. Scholen moeten sinds augustus 2015 meten hoe het in de school met de sociale veiligheid is gesteld. Dat neemt niet weg dat je ook heel goed een kort vragenlijstje kan laten invullen waarin de klas zelf aangeeft wie vaak welke rol heeft in de groep, en waarin kinderen kunnen aangeven hoe vaak zij worden gepest en door wie. Zeker als je meldt dat je met hun antwoorden niet de pester gaat straffen, maar dat je wilt weten hoe het zit zodat je kunt helpen. Geen garantie dat slachtoffers het melden, maar wel een kans. Vergeet ook niet om de kinderen dan te laten aangeven wie er volgens hen wordt gepest. Uit het onderzoek van Oldenburg bleek namelijk dat leerling hun pestervaringen vaker vertellen tegen vrienden en familie.

ouders en school werken samen

c. Betrek ouders. Zij kunnen een goede bron zijn van informatie. Niet alleen als hun eigen kind slachtoffer van pesten is, maar ook als zij thuis van hun kinderen verhalen over andere kinderen horen. Maak wel goed duidelijk (ouderavond?) dat pesten een lastig probleem is en dus niet 1,2,3 is opgelost.

6 september 2016

Denken scholen te gemakkelijk over de anti-pestwet?

By |6 september 2016|Nieuws, Pesten op school, Trainingen, Workshops|

Een jaar geleden is de anti-pestwet, officieel: de wet sociale veiligheid op school, in werking getreden. Vanaf 1 augustus 2016 gaat de onderwijsinspectie letten op de uitvoering ervan door scholen.

boos reageren op pesten

boos reageren op pesten

Er is door sommige organisaties nogal ‘sussend’ gereageerd op deze wet:
– alleen de 10 á 20 procent van de scholen die hun beleid niet op orde hebben, zouden ‘aan de gang’ moeten,
– de meeste scholen doen al aan monitoring van het welbevinden van hun leerlingen, en
– het was vóór deze wet al verplicht om een anti-pestprotocol te hebben.

In de memorie van toelichting bij de wet, staan een aantal zaken die de wet verduidelijken. Uit deze tekst blijkt dat scholen wel degelijk goed moeten kijken naar de verplichtingen die de wet stelt. Hierbij de vijf verplichtingen voor het voetlicht

1. Het gaat om beleid dat wordt uitgevoerd. Het is niet voldoende om alleen beleid op papier te hebben; het beleid moet uitgevoerd worden (‘stevig verankerd in de dagelijkse praktijk van de school’) . Een belangrijke vraag voor scholen is dan ook: hoe krijgen we het in de hoofden, harten en handen van alle medewerkers?
Sterker, ook het vormgeven van het beleid dient in samenspraak met anderen te geschieden: ‘Een school dient het beleid te vormen met alle betrokkenen in de school (leerlingen, leraren, medezeggenschapsraad, ouders).’

2. Het beleid mag niet bestaan uit één enkele actie. Het kan niet zo zijn dat een school zegt: ‘wij werken met anti-pestprogramma X, punt.’ Het gaat om ‘een set van samenhangende maatregelen te ontwikkelen, gericht op preventie en op het afhandelen van incidenten.’

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

3. Het beleid dient kenbaar gemaakt te worden aan allen die ermee te maken (kunnen) krijgen. In de memorie van toelichting staat zelfs: De schoolleiding maakt in de schoolgids duidelijk wie welke taken heeft.
De afgelopen weken heb ik diverse websites van scholen bekeken. Ik vond slechts een enkele school waarbij helder werd gemaakt bij wie ik terecht kon in het geval van een pestprobleem.

4. De taak coördinatie van het anti-pestbeleid dient bij iemand te zijn belegd. Met deze taak wordt bedoeld dat één persoon binnen de school belast is met ‘de coördinatie van beleid in het kader van het tegengaan van pesten’. Dat zal dus iemand moeten zijn die niet alleen veel weet op het pestprobleem en effectief handelen daarbij, maar ook iemand die beleid kan formuleren en implementeren. Ook de taak ‘aanspreekpunt’ moet een persoon op zich nemen. Die fungeert als de vraagbaak voor ouders en collega’s.
Vaak zullen scholen ervoor kiezen om deze taken bij één persoon neer te leggen. In de memorie van toelichting: ‘Deze persoon kan vanuit zijn opgebouwde kennis op het gebied van pesten bijvoorbeeld fungeren als klankbord voor leraren met vragen en adviseur zijn van de schoolleiding op het gebied van de structurele aanpak van pesten.’ Is de huidige kennis over pesten van uw ‘anti-pestcoördinator’ actueel genoeg om alle vragen te beantwoorden en om beleid te ontwikkelen en te implementeren?

5. Monitoring is het laatste belangrijke onderdeel van de wet. Iedere school moet regelmatig, een keer per jaar, inventariseren hoe het staat met de beleven sociale veiligheid op de school. Een veiligheidsbeleid leidt immers niet zonder meer tot een veilige school: ‘de gegevens over sociale onveiligheid zijn nodig om te kunnen vaststellen of verbetering of aanpassing van beleid nodig is.’ Veel scholen hanteren al een vragenlijst om dit te meten. Echter, doel van de wet is: terugdringen van aantal gepeste kinderen. Wat gebeurt er dus met de resultaten van deze inventarisatie? Welke aanpassingen voert de school door om de situatie – hoe goed ook – te verbeteren?
Om te kunnen controleren heeft de inspectie ‘toegang tot de monitorgegevens van de school, en ziet erop toe dat scholen op basis daarvan zo nodig vroegtijdig maatregelen tot verbetering treffen’.

Snel en up-to-date geïnformeerd zijn? De cursus Anti-pestcoördinator van stichting Omgaan met Pesten behandelt alle relevante zaken.
Meer informatie:
cursussen@omgaanmetpesten.nl

26 mei 2016

‘Niet zeuren, Kim!’

By |26 mei 2016|Pesten op school, Sta Sterk, Trainingen, Workshops|

‘Niet zeuren, Kim’ zei de leerkracht van groep 8 tegen Kim toen zij kwam vertellen over een pestsituatie. Wat was er aan de hand? Een paar klasgenoten hadden een negatieve opmerking gemaakt over haar prestaties op de sportdag. Een paar anderen hadden gegniffeld.

Ik kan me voorstellen dat de leerkracht zo heeft gereageerd. Het is ook niet niks om – waarschijnlijk – regelmatig hetzelfde kind aan je tafel te krijgen die aandacht wil voor wat haar is overkomen. Deze leerkracht denkt vast: ‘Een beetje meer pit, Kim! Je zegt gewoon ‘nou, èn’ of je denkt : ‘laat lekker kletsen’. En waarschijnlijk werkt dat zo voor deze leerkracht. Hij vindt haar te gevoelig en vindt dat ze steviger moet worden.

Hij kan ook denken: ‘nu verwacht ze weer dat ik handel en die kinderen aanspreek. Krijgen we weer een heel gesprek en dan is maar de vraag of men de waarheid spreekt. Of ze zeggen: het was maar een grapje; kan je daar nu niet tegen?’ en ik vind dat dat ze gelijk hebben….’

Nu de kant van Kim. Je zal maar vaak het doelwit zijn van nare opmerkingen en vaak ook andere vormen van pesten meemaken. Veel vaker dan de leerkracht of je ouders weten. Je voelt je er heel verdrietig en eenzaam onder. Je zou graag zijn zoals Lisa, die gewoon een grote mond terug geeft. Maar jij slaat dicht en kan niks bedenken. Dan ga je naar de leerkracht en dan krijg je nogmaals de kous op je kop, want er is geen begrip voor hoe jij je voelt.

Hoe dan wel?

1. Realiseer je je als leerkracht dat leerlingen veel meer meemaken dan wat jij te horen krijgt.
2. Je hoeft de boel niet (altijd) op te lossen. Het is al heel fijn dat je op een kind begripvol reageert. De realiteit is namelijk dat zij zich rot voelt. Of dat nu in jouw ogen terecht is of onterecht, je kunt begrip hebben voor haar gevoel. ‘Wat naar dat ze dat hebben gezegd. Je zal je wel verdrietig voelen. Klopt dat?’ Grote kans dat Kim zich nu in ieder geval een stukje beter voelt.
Wil je haar nog meer helpen? Kijk dan samen wat zij had kunnen doen of nu nog kan doen. Voorbeeldje: nu nog tegen die kinderen zeggen: Jullie vonden dat ik niet goed gesport heb; nou –( ik heb er even over nagedacht) – en ik vind van wel.’
3. Je zou haar ook nog kunnen helpen met een ‘helpende gedachte’: ‘Het gaat toch op de sportdag om samen lekker bezig zijn en ik heb jou heel actief gezien. Dus ze hebben geen gelijk.’ Dat kan haar stevigheid vergroten.
4. Je kan – let op: het hoeft niet – ook de kinderen die de opmerking maakten aanspreken op hun gedrag: ‘Wat hebben jullie tegen Kim gezegd? Dat was een grapje? Nou, het is alleen een grapje als iedereen erom kan lachen…..
Je kunt er eventueel aan toevoegen: Wat doen we hier als we per ongeluk een grapje maken en het is blijkbaar geen grapje voor iedereen? O, sorry zeggen? Nou, doe dat dan even.’
5. Veel mensen denken: ’ik zou er tegen kunnen, maar dat is toch echt de vraag. Iedereen kan in een bepaalde groep het doelwit worden en niemand vaart wel bij een geïsoleerde positie.

Kortom, geen tijd nemen om even begrip te tonen voor een kind dat (denkt dat het) gepest is, helpt het kind echt niet vooruit in haar weerbaarheid. Maar eerlijk is eerlijk, het helpt ook niet om de problemen altijd voor een kind op te lossen.

Succes met het vinden van een effectieve middenweg.

13 april 2016

Leuke weetjes uit hersencongres

By |13 april 2016|Nieuws, Pesten op school, Workshops|

Testje: de spreker schotelt zijn gehoor een geheugentest voor. We moeten een serie woorden onthouden die hij later gaat terugvragen, zoals winter, kerst, schaats, wit, ski… Later vraagt hij om de handen op te steken als je het woord herkent: kerst …handen gaan omhoog, wit …handen gaan omhoog, sneeuw …. handen gaan omhoog ….Gefopt! Die stond er niet bij!

Deze, en andere interessante informatie kwam voorbij in het 5e Hersencongres met de inspirerende titel ‘wat je zegt ben je zelf’, dat ik gisteren volgde.

presentatie op hersencongres

presentatie op hersencongres

Maar, hoe komt het nu dat we ons zo kunnen laten foppen? Dat heeft te maken met de werking van het geheugen. Iedereen maakt als het ware schema’s in het hoofd en vult ‘gaten’ in met andere informatie. Wat we hiermee kunnen als het om pesten gaat? Wees voorzichtig met beweren dat iemand liegt als een gebeurtenis anders heeft plaatsgevonden dan iemand beweert. Meer informatiebronnen kunnen misschien enigszins uitkomst bieden.

Een ander interessant deel van de presentatie ging over het onthouden over langere tijd. We onthouden van een heftige gebeurtenis na verloop van tijd net zo veel (of liever: net zo weinig) dan van weinig emotionele gebeurtenissen. We dénken echter dat we ons die veel beter kunnen herinneren. Zo moest de onderzoeker de mensen die hij na 2 ½ jaar weer sprak over ‘nine-eleven’ zelf het uitgeschreven interview van de dag na 9/11 laten lezen om te laten zien dat zij het zich niet meer juist herinnerden. De vraag is of dat erg is. Wel bij getuigenverklaringen natuurlijk en ook als je ruzie zou krijgen omdat jouw verhaal niet klopt met dat van een ander.

foto van infomarkt congres
Ook het sociale brein – op beter het puberende sociale brein – kwam aan bod. Een bijzondere ontdekking voor mij was dat het striatum, het beloningscentrum in de hersenen, meer activiteit vertoont tijdens contacten met vrienden. Met andere woorden: contact met vrienden fungeert als een beloning op zich. Handig om te weten als je omgaat met jongeren.

Ander onderzoek liet zien dat ‘meekijkende leeftijdgenoten’ de kans op risicovol gedrag onder 14-jarigen enorm vergrootte, op 19-jarige leeftijd al iets minder en niet af nauwelijks meer op 37-jarige leeftijd. ‘Automobilisten, komt u weer fietsende pubers tegen met hun drieën of meer naast elkaar? Vervelend en gevaarlijk, maar het zijn de hersenen! Die u vroeger ook had; al deed u misschien andere onbesuisde dingen. Maar ja, dat bent u – net als ik – alweer vergeten, natuurlijk.

Tot slot: ook een leuk verhaal over het zelf: zelfbeeld, zelfwaardering etc. Dat bood zoveel belangrijks dat ik er over enkele dagen een apart verhaal aan wijd.

27 maart 2016

Drie noties n.a.v. congres Medilex over Pesten

By |27 maart 2016|Nieuws, Pesten op school, Workshops|

Afgelopen woensdag en donderdag heb ik, met mijn collega Mirelle Valentijn, workshops verzorgd op de Medilex-dag ‘Pesten in het onderwijs’. Interessante bijdragen in de ochtend; alhoewel niet iedereen een inspirerende spreker bleek.

Van folder Medilex-congres p.o. Van folder Medilex-congres p.o.
Drie voor mij opvallende zaken wil ik hier graag uitlichten:
1. Eén van de sprekers vond ‘pesten’ een naar woord. Woorden zijn op zich nooit naar. Woorden zijn gewoon een bepaalde combinatie van letters. Wat het naar maakt, is de betekenis die de lezer/spreker eraan geeft. Ja, natuurlijk is pesten naar; niet het woord, maar het gedrag. Dat zullen de 10-15% van de slachtoffer beamen; evenals de groep die niet meedoet met het gepest. Zij noemde ook: ‘alles wat je aandacht geeft, groeit’. En dus zou je niet meer over ‘pesten’ moeten spreken, maar over ‘sociale veiligheid’.

Mijn zorg:
Creëer je zo geen nieuw taboe? Pesten is voor kinderen/jongeren een heldere term. Laat gepeste kinderen (en alle andere die eronder lijden) niet in de kou staan. Dus, heet je op school ‘coördinator sociale veiligheid? Maak dan aan leerlingen en ouders héél goed duidelijk waarvoor ze bij jou terecht kunnen.

2. Roelof Wolters maakte goed helder dat de start van een groep zoveel mogelijkheden biedt om er een veilige groep van te maken. Neem daar twee weken de tijd voor. Dat betaalt zich terug in een werkbare groep. Als je in die weken dan wel het juiste doet:

– samen met de groep afspraken maken over ‘hoe gaan we hier met elkaar om’. Dus niet: ‘dat hoeft niet want we hebben al regels hier op school.’ Als je samen afspraken maakt, dan houdt iedereen zich ook beter aan die afspraken; en zo niet, dan kun je leerlingen er op wijzen: de leerling heeft immers zelf meebesloten.

– elkaar leren kennen. Dit is een buffer voor grensoverschrijdend gedrag naar elkaar toe. Dus veel spellen/opdrachten in wisselende groepjes doen.

– probeer – ook als het (te) onrustig is – oogcontact te blijven maken met de leerlingen in de klas. ‘Uit het contact gaan’ helpt zeker niet.

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

3. Inzetten op preventie – zoals de bijdragen in de ochtenden – is heel belangrijk. De kennis over ‘wat te doen als er wordt gepest’ had van mij een grotere plaats mogen hebben. Even kort door de bocht een paar belangrijke handelingen:

– zeg er altijd iets van als je grensoverschrijdend gedrag ziet. Dat kan met een blik, een korte opmerking of een korter of langer gesprek, maar stel de norm.

– als je iets over pestgedrag zegt, laat dan de gepeste in haar/zijn kracht. Zeg dus liever iets van ‘ik voel me rot/vervelend als dit gebeurt’ of ‘ik vind dat over grenzen gaan’ en niet ‘daar wordt hij/zij (wijzend naar slachtoffer) verdrietig van’ of ‘je ziet toch dat hij/zij het niet leuk vindt…’ Dat klopt allemaal wel, maar de positie van de gepeste wordt er niet sterker door.

– Praat met gepeste, praat met pester, en eventueel samen.

Meer scholing:
– 2 april gratis infomiddag Omgaan met Pesten
– 20/21 mei: start opleiding trainer Omgaan met Pesten
– 24/25 mei: tweedaagse cursus Anti-pestcoordinator
[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]

8 februari 2016

Helpt het; een anti-pestcoördinator?

By |8 februari 2016|Nieuws, Opleiding trainers, Pesten op school, Sta Sterk, Workshops|

Ja. Maar om met Bruno Mars te spreken: ‘don’t believe me, just watch’. En lees dus mee wat ik vond in een onderzoeksartikel. Mevrouw Espelage*, die vaker onderzoek naar pesten doet, heeft in 2015 interessant onderzoek uitgevoerd. Nu is er (nog) geen onderzoek gedaan naar de anti-pestcoördinator van vandaag de dag en wat dat betekent voor de praktijk. Dus we moeten het doen met wat indirect bewijs. Maar toch. Wat blijkt uit haar onderzoek?

– Als een directie steun verleent bij het op de agenda krijgen/houden van pesten en agressie, dan is daar op school minder agressie en minder victimisatie (het tot slachtoffer worden gemaakt).
Waar heeft men het dan over? Over een breed scala van acties: commitment om pesten op de agenda te krijgen/houden, het ontwikkelen van anti-pestbeleid, programma’s om pesten te voorkomen en trainingsfaciliteiten voor personeel voor de aanpak van dit probleem.

– Interventies door de staf om slachtoffers te helpen zorgen ervoor dat er een grotere bereidheid onder leerlingen is om zelf te interveniëren. Met andere woorden: als een school uitdraagt dat het van belang is om slachtoffers helpen, dan laat je zien dat het niet deugt om iemand te pesten en dat maakt dat meer leerlingen zich manifesteren als helper/verdediger.

– De uitgedragen gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen is gerelateerd aan minder pesten, minder slachtofferschap van pesten, minder agressie en een grotere bereidheid van leerlingen om voor een ander op te komen.

– Ook het afwijzen van seksuele intimidatie is gerelateerd aan minder pesten, minder slachtofferschap van pesten, minder agressie en een grotere bereidheid van leerlingen om voor een ander op te komen.

– Positieve leerkracht-leerling relaties zijn ook gerelateerd aan het bekende rijtje: minder pesten, minder slachtofferschap van pesten, minder agressie en een grotere bereidheid van leerlingen om voor een ander op te komen.

*Dorothy L. Espelage Joshua R. Polanin Sabina K. Low: Teacher and Staff Perceptions of School Environment as Predictors of Student Aggression, Victimization, and Willingness to Intervene in Bullying Situations

12 januari 2016

Over het zelfvertrouwen van pesters

By |12 januari 2016|Nieuws, Pesten op school, Workshops|

Bij mijn zoektocht naar interessante informatie over pesten stuitte ik op een recent onderzoek dat licht werpt op ‘hoe het zit met pesters, zelfvertrouwen en narcisme’ van Fanti & Henrich (2015).

In mijn boek Omgaan met Pesten (2013) beschrijf ik wat er bekend is over het fenomeen pesten. Er zit een aparte paragraaf in over pesters. Hierin stel ik voorzichtig dat het niet lijkt te kloppen dat ‘pesters eigenlijk heel onzeker zijn’. Er is namelijk ook onderzoek (Bushman, 2009) waarin de onderzoeker een relatie legt tussen pestgedrag en zelfwaardering en narcisme.

Narcissus kijkt in het water en wordt verliefd op zijn eigen spiegelbeeld

Narcissus kijkt in het water en wordt verliefd op zijn eigen spiegelbeeld

Onderzoeken spreken elkaar overigens tegen waar het gaat om het zelfvertrouwen van pesters. Er zijn onderzoeken waaruit blijkt dat pesters een lage mate van zelfvertrouwen hebben, juist veel zelfvertrouwen hebben of waar de relatie tussen pestgedrag en zelfvertrouwen niet is aangetoond.

Wat verstaan we onder zelfwaardering? Wat is narcisme? Zelfwaardering (self-esteem) (zelfrespect, zelfbeeld) verwijst naar een algehele acceptatie van zichzelf, het gevoel waardevol te zijn, zelfvertrouwen te hebben. Narcisme wordt geassocieerd met een verheven en fragiel zelfbeeld, het gebruik maken van anderen voor persoonlijk gewin, opgeblazen zelfbeoordelingen en geloof in eigen superioriteit. Zij hebben de neiging om het goede gevoel over zichzelf constant te vergroten, bijvoorbeeld door kritiek te hebben op anderen waardoor zij zelf ‘beter’ lijken.

Opgeblazen zelfbeeld?

Opgeblazen zelfbeeld?

Uit dit onderzoek blijkt dat pesters hoog scoren op narcisme. Tegelijkertijd scoren zij laag op zelfwaardering. Dit kan verklaren waarom de onderzoeken naar pesters en zelfvertrouwen geen eenduidig beeld gaven.

Fanti en Henrich beschrijven in hun artikel ook een interessant gezichtspunt van Barry, Grafeman, en anderen (2007). Zij maken verschil tussen aangepast (adaptive) en onaangepast (maladaptive) narcisme. Aangepast narcisme verwijst dan naar leiderschap, autoriteit, onafhankelijkheid en onaangepast narcisme naar ‘recht hebbend op’, uitbuitend gedrag, overdreven in de belangstelling willen staan. Zij vonden bewijs dat onaangepast narcisme een goede voorspeller was van agressief gedrag en problemen in de omgang met anderen.

Ik heb recht op meer, want ik ben bijzonder

Ik heb recht op meer, want ik ben bijzonder

Leuk om te weten, maar wat hebben we eraan voor de aanpak van pesten? Allereerst dat narcisme dus gevaarlijk is. Ten tweede dat het daarbij vooral gaat om het ‘onaangepast’ narcisme. Ten derde dat pesters baat zullen hebben bij een bepaalde aanpak om hen te bewegen hun gedrag te veranderen. Het bovenstaande geeft slechts een richting aan. Het is dus zaak om bij (narcistische) pesters de zelfwaardering op te krikken en tegelijkertijd het realiteitsgehalte van de zelfbeoordelingen te verhogen.

Verhogen:
– algehele acceptatie van zichzelf,
– het gevoel waardevol te zijn,
– het zelfvertrouwen.

Verlagen:
– verheven zelfbeeld,
– opgeblazen zelfbeoordelingen,
– geloof in eigen superioriteit,
– de neiging om het goede gevoel over zichzelf constant te vergroten.

Voorkomen:
– het gebruik maken van anderen voor persoonlijk gewin.

Grote vraag blijft: hoe dan precies. Als een kind zegt dat hij iets geweldig kan, ga je dan zeggen: ‘nou, zo geweldig is dat niet’ om zijn opgeblazen zelfbeeld wat realistischer te maken? Of is dat juist een aanslag op zijn zelfwaardering? Of werkt het als je dat dan aanvult met: ‘joh, je hoeft helemaal niet alles geweldig te kunnen; je bent ook leuk/waardevol/geliefd als je dat niet kan.’

Wordt vervolgd.

16 december 2015

Herstel ‘Ja, maar, …’ in ere.

By |16 december 2015|Nieuws, Opleiding trainers, Pesten op school, Workshops|

Ja, het gebruik van ´ja, maar´ in gesprekken werkt beroerd, maar NIET omdat je eigenlijk ´nee, en´ bedoelt.

Het is alweer oud, de opstand tegen ´Ja, maar´ en de oplossing in ´omdenken´ en in ´nee, en´ zoeken. Het is misschien wat laat, maar ik ben erachter gekomen dat mensen die ´ja, maar´ zeggen ook precies ´ja, maar´ bedoelen. EN TERECHT.

Wat er mis gaat, is de snelheid; de haast in een gesprek. Leerling A: ´Hij deed zelf ook irritant.´ Leerkracht B: ´Ja, maar dat is geen reden om te gaan slaan!’ Wat hier mis gaat, is dat A zich absoluut niet gehoord voelt door leerkracht B. Hij heeft dus het gevoel dat het niet uitmaakt wat hij zegt; hij heeft het toch weer fout gedaan. Van de weeromstuit zal hij ook niet goed horen wat B te zeggen heeft.

Wat bedoelt B? Volgens mij iets van: ‘Ja, ik kan me voorstellen dat je vond dat x irritant deed; dat zou ik ook zo ervaren (of: je zal niet de enige zijn die dat zo ervaart). Maar je ergeren aan iemands gedrag is geen geldige reden om iemand te slaan.’ Kortom, in plaats van één zin er drie zinnen aan wijden, zou al schelen. En het gaat er dan vooral om te verduidelijken wat je bedoelt met de eerste ‘ja’.

Je kan er vervolgens nog een beetje humor in gooien: ‘Je moest eens weten hoe vaak ik me erger aan gedrag van leerlingen en als ik dan iedere keer een mep uit zou delen…. Zat jij hier misschien wel met een blauw oog.’

(Overigens kan in dit specifieke voorbeeld ook sprake zijn van ‘blame the victim’: er wordt vaker gezegd dat een slachtoffer irritatie oproept en daarom wordt gepest. Soms is dat gewoon niet waar (ze zoeken een relatief zwak iemand uit om te pesten ongeacht hoe deze zich gedraagt); in andere gevallen kan het wel waar zijn, maar zijn er uiteraard tal van andere mogelijkheden om om te gaan met ergerniswekkend gedrag van een ander. Wat zou je zeggen van:
– weg gaan uit de situatie
– rustig en sterk zeggen wat je niet bevalt en hoe je het graag wel ziet
– zelf je frustratietolerantie wat verhogen)

Geringe frustratietolerantie?

Geringe frustratietolerantie?

Nog wat voorbeelden uit de dagelijks praktijk:
– Ja, maar ik eet liever thuis:
Ja, ik snap dat jij graag uit eten gaat, want je hebt geen zin om samen te koken. Maar ik eet liever thuis.

– Ja, maar ik wil het hier niet hebben:
Ja, ik begrijp dat je thuis met je schoenen op de stoel mag zitten, maar ik wil het hier niet hebben.

– Ja, maar Patrick mag het wel:
Ja, u wilt de huiswerkopdracht dinsdag ingeleverd hebben om ze donderdag nagekeken te kunnen hebben, maar Patrick mag het wel woensdag inleveren.

– Ja, maar voor Jacqueline is het nog erger:
Ja, jij zit ook in een lastige positie als iedereen maar van je verwacht dat je partij trekt, maar voor Jacqueline is het nog erger.

– Ja, maar jij deed het ook en jij levert dus morgen je strafwerk in:
Ja, jij vindt het oneerlijk omdat jij vindt dat anderen ook straf moeten hebben, maar jij deed het ook en levert dus morgen je strafwerk in.

Een 'ja, maar-gesprek' of niet?

Een ‘ja, maar-gesprek’ of niet?

Meer bedreven worden in gesprekken met betrekking tot pesten voeren? Ik geef weer met mijn collega Mirelle Valentijn de cursus Anti-pestcoördinator op dinsdag 26 en woensdag 27 januari 2016. Er zijn nog enkele plekken vrij. Vraag de cursusgids aan via www.omgaanmetpesten.nl of margo@aanpakpesten.nl
7 december 2015

Waarom ook alweer: pesten zo veel mogelijk uitbannen?

By |7 december 2015|Nieuws, Opleiding trainers, Sta Sterk, Workshops|

Laatst gaf ik workshops op een PABO. Heel leuk om met toekomstige leerkrachten te werken. Zij stellen – gelukkig – ook nog vragen die vast niet iedereen meer durft te stellen. Hij ging ongeveer zo: ‘pesten is van alle tijden; kan overal in groepen plaatsvinden. Als dat dan zo’n natuurlijk verschijnsel in groepen is; waarom er dan iets tegen doen?’

Mijn antwoord was een beetje flauw: kanker is ook een natuurlijk verschijnsel. Het zijn namelijk cellen die zich delen en dat gebeurt aan de lopende band. Daarvan zeggen we ook niet: het is een natuurlijk proces; jammer dan. Mensen met die ziekte proberen we te genezen. En we stoppen een hoop geld in onderzoek naar hoe dat nog beter kan.

Toch blijft het soms lastig om echt te begrijpen waarom worden gepest zulke vreselijke gevolgen heeft. Dat blijkt namelijk al jarenlang uit onderzoek. Ik doe een poging dat iets meer te verhelderen.

Mensen zijn sociale wezens. Zij hebben de behoefte om bij een (sub)groep te horen. Sommige deskundigen wijzen in dit verband op onze oorsprong: toen wij nog jagers en verzamelaars waren, waren we voor ons voortbestaan afhankelijk van de groep. Verstoting betekende immers altijd de dood. Inmiddels is dat niet meer zo, maar onze hersenen zijn als het ware nog zo geprogrammeerd. Of dit nu de verklaring voor de wens om bij de groep te horen is of niet, maakt niet uit. We weten dat ‘bij de groep horen’ voor alle mensen belangrijk is. Zou er iemand bestaan die nooit eens enige zorgen heeft gekend over ‘of je je wel thuis zou voelen’ in een nieuwe groep?

Ook zeggen sommigen: ‘ik zou het niet erg vinden als ze ‘…’ tegen mij zeggen of doen’. Nee, één keer is ook nog geen pesten. Wat pesten schadelijk maakt is voornamelijk de herhaling. Iemand wordt niet één keer uitgemaakt voor ‘debiel’, ‘homo’ of ‘varken’, maar dagelijks of wekelijks. De consequente herhaling van deze woorden maken het voor het slachtoffer zo pijnlijk. Datzelfde geldt voor meer lichamelijk pesten: slaan, schoppen, duwen. Bovendien realiseren sommigen zich niet dat er helemaal niet iedere dag gepest hoeft te worden om het slachtofferschap in stand te houden. Het idee dat anderen blijkbaar machtiger zijn dan jij en zomaar kunnen beginnen met het grof overschrijden van jouw grenzen, maakt een kind iedere dag tot slachtoffer; ook op dagen dat er niets gebeurt.

25 oktober 2015

Het schoolplein: vechtpartij of pesten?

By |25 oktober 2015|Nieuws, Pesten op school, Trainingen, Workshops|

plaatje vuistEr is iets gaande op het schoolplein. Er wordt gevochten. Volwassenen snellen toe om de vechtersbazen uit elkaar te halen. ‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt de conciërge. ‘Hij’, zegt een van de leerlingen wijzend, ‘gaf hem ineens een duw.’ Met beide jongens wordt een gesprek gevoerd. De jongen die begon met duwen, wordt een dag geschorst, want ‘vechten wordt hier niet getolereerd’.

Vast een herkenbare of voorstelbare situatie, want uit het leven gegrepen. Wat was hier werkelijk aan de hand? De geschorste jongen werd al wekenlang door een groepje gepest. Uitgescholden, zijn spullen afgepakt, achterna gezeten op het schoolplein. Op enig moment was voor hem de maat vol. Hij draaide zich om en gaf de eerste die hij zag een enorme duw waardoor deze achterover tegen anderen aan viel.

De volwassenen in een school verzuchtten dan: ‘(1) waarom zegt zo’n jongen dan niks in het gesprek dat ik met hem voer?’ ‘(2) Waarom zeggen andere leerlingen dan niet hoe het in elkaar zit?’’(3) Waarom komt zo’n leerlingen niet eerder naar mij toe om te zeggen dat hij gepest wordt? Heel frustrerend voor alle volwassenen binnen school, die het graag voor alle leerlingen veilig maken.

De antwoorden op de vragen: Vraag 1: omdat hij denkt dat zijn positie in de groep verslechtert als hij nu ‘klikt’ en het pesten erger wordt of omdat hij denkt dat hij ook niet had moeten beginnen met vechten. Vraag 2: omdat de meelopers die er omheen staan de pester(s) niet afvallen of omdat het antwoord het juiste is op de gestelde vraag. Vraag 3: omdat leerlingen het idee hebben – of de ervaring hebben – dat het niet helpt om over pesten te praten of omdat leerlingen denken dat het gepest aan hen ligt en ze het schaamtevol vinden om hiervoor uit te komen.

Er nog meer verklaringen.

Wat te doen? Drie tips:
– altijd in het achterhoofd houden dat wat je ziet niet altijd is ‘wat het is’;
– langer ‘onderzoek’ doen naar wat er aan de hand is: als leerkrachten/docenten eens een week extra goed kijken naar wat er zich afspeelt tussen deze leerlingen; ook in de meer vrije momenten; en ook andere klasgenoten bevragen (de helpers, buitenstaanders)
– om pestgedrag in de kiem te smoren is het belangrijk om alle leerlingen te leren: praten over pesten ≠ klikken. En niet door dit even te noemen of het ergens op te schrijven, maar ook andere methoden gebruiken om dit ‘tussen de oren’ te krijgen.

Meer concrete handvatten? Ik geef weer les op de cursus Anti-pestcoördinator op dinsdag 26 en woensdag 27 januari 2016.

www.omgaanmetpesten.nl