1 september 2017

Wat te doen met pesters?

By |1 september 2017|Nieuws, Pesten op school, Trainingen|

 

De scholen starten weer en dus het pesten ook. Hopelijk heeft uw school een goed geïnformeerde anti-pestcoördinator met een aanpak-mentaliteit, of bent u zelf diegene! In deze nieuwsbrief vindt u up-to-date informatie over de pester. Welke kenmerken heeft deze en op welke manier is deze te stoppen?

Onderzoeker C. Salmivalli

Salmivalli, een beroemde Finse onderzoeker naar pesten, heeft in 2017 een aantal onderzoeken op een rijtje gezet. Drie van haar bevindingen worden hieronder uiteen gezet.

Pesten is een vorm van agressief gedrag. Drie criteria zijn relevant als we agressief gedrag willen bestempelen als pestgedrag: er is sprake van herhaling, van een negatieve intentie en van een verschil in macht. Twee waarschuwingen met betrekking tot deze criteria:
– De herhaling van het gedrag wordt niet altijd opgemerkt door de niet direct betrokkenen, zoals leerkrachten/docenten. Kinderen blijken over het algemeen – als ze het al melden – niet al meteen bij het eerste grensoverschrijdende gedrag ouders of de school te informeren.
– De negatieve intentie betreft de actie: de opmerking of het gedrag is niet leuk/aardig bedoeld. Dat wil niet zeggen dat alle pesters zich bewust zijn van de enorm schadelijke gevolgen van hun gedrag bij het slachtoffer. Die zijn immers niet altijd duidelijk zichtbaar.

Het is logisch dat veel pesters dus in zijn algemeenheid een neiging hebben tot agressief gedrag. Kinderen die agressief gedrag als iets positiefs zien, zijn vaker pesters. Ook het hebben van weinig inlevingsvermogen in anderen wordt vaak bij pesters gevonden. Opvallend is dat veel pesters vaak heel goed weten wat een slachtoffer raakt en dat daders ook vaak goed kunnen benoemen hoe het slachtoffer zich voelt, maar dat het bijbehorende gevoel (inleving) minder is dan bij anderen. Onlangs is onderzoek verschenen waarbij het geringe inlevingsvermogen vooral de kinderen betreft die gepest worden. Dat kan ook duiden op ‘jezelf vrij pleiten’ als je iemand die minder macht heeft, pest.

Vrij pleiten ….

 

Onderzoek levert ook aanwijzingen dat pesters juist gezien moeten worden als kinderen met gebrek aan sociale vaardigheden, met een laag zelfbeeld en met een lage positie in de groep. In ieder geval zijn kinderen  met deze kenmerken vaker zowel pester als slachtoffer, de zogenaamde pester/slachtoffers (bully-victims).

Het is nog niet duidelijk hoe dit precies in elkaar zit. Vooralsnog is het wijs om ervan uit te gaan dat er (minstens) twee typen pesters zijn:
– de pester die de neiging heeft om door agressie zijn/haar zin te krijgen; populair is in de groep
– de pester die minder sociaal vaardig is en een laag zelfbeeld heeft (en die vaker tot de groep pester/slachtoffers behoort.

Pesten is niet gemakkelijk te stoppen. Er zijn allerlei acties op schoolniveau en op groepsniveau nodig.  Hier ligt de focus op de pesters, dus hier vind je drie acties om uit te voeren in contact met de pester:

  1. Wees altijd duidelijk dat je pestgedrag afwijst. Dat hoeft niet agressief (met luide stem, grove woorden of boze gebaren), maar kan rustig, duidelijk en ferm. Het gaat hierbij vooral om de afkeuring van het gedrag, niet de persoon. Pappen en nathouden? Nee, als de persoon wordt afgewezen is de kans groter dat diegene zich (mentaal) terugtrekt en helemaal niet meer openstaat voor een ander geluid.
  2. De pesters hebben gedachten die het gebruik van agressie rechtvaardigen: ‘hij vraagt er zelf om’, ‘moet zij ook maar niet zo stom lachen’, ‘tja, als je zo doet, dan kun je een klap verwachten; dat is toch logisch?!’ In gesprek met een pester kun je een beetje ‘pulken’ aan dit soort overtuigingen door het stellen van vragen die uitdagen tot nadenken. Verwacht niet dat je iemand makkelijk tot andere gedachten brengt, maar laat het ook niet om deze reden. Het is belangrijk om reëler te denken over geweld, zowel voor dit kind zelf als voor de slachtoffers.
  3. Er zijn veel manieren om inlevingsvermogen te versterken. Een makkelijk uit te voeren actie is om in gesprek met een pester te bespreken welke gevolgen pesten voor een slachtoffer heeft, en dan ook de gevolgen op (veel) langere termijn. En om het ook dichterbij de eigen leefwereld te brengen, bijvoorbeeld: stel dat jouw broertje gepest wordt…..

Meer weten over activiteiten om pesten te stoppen? De eerstvolgende tweedaagse cursus anti-pestcoördinator draait op 3 en 4 oktober. Kijk op http://www.aanpakpesten.nl/cursus-anti-pestccoordinator/ of vraag de cursusgids aan via cursussen@omgaanmetpesten.nl

18 augustus 2017

Professionele Dialoog en de anti-pestcoördinator

By |18 augustus 2017|Nieuws|

Heb je als anti-pestcoördinator iets aan de Professionele Dialoog?  De laatste tijd is er veel aandacht voor deze vorm van onderling communiceren onder professionals.  Ik ging op zoek naar kennis over deze vorm en stuitte op een bijeenkomst waar Appreciative Inquiery (waarderend onderzoeken) werd gebruikt.

Ik ken diverse vormen van intervisie. Dan sta ik vaak versteld van het effect van de diverse rondes waarin de aanwezigen hun inbreng geven. Vooral dat de groep vaak in vrij korte tijd een flinke stap verder zet in het leerproces van allen. Bij intervisie is er altijd een probleem-inbrenger. Ik was benieuwd of  Appreciative Inquiery vergelijkbaar was met intervisie-werkvormen en hoe deze werkvorm zou uitwerken bij een algemenere vraagstelling dan bij intervisie gebruikelijk is.

In groepjes aan het werk

Maar eerst even een stap terug. Appreciative Inquiery is een methode binnen ‘professionele dialoog’ en deze dialoog is vooral geen discussie. Wat is dan het verschil tussen deze twee? Op de website van VOION staat een handig lijstje:

 

 Discussie/debat Dialoog
 – strijd met argumenten – ontmoeting en uitwisseling van ervaringen
 – onpersoonlijk – persoonlijk
 – elkaar willen overtuigen – elkaar willen leren kennen
 – streven naar overwinning – streven naar begrip, verdieping, verrijking
 – selectief luisteren – aandachtig luisteren

Bron: Leerweg Dialoog

 

Deze bijeenkomst van VOION startte met korte inleidingen van twee bevlogen docenten die een verhaal hielden over hun eigen praktijk. Sultan Göksen brak een lans voor vooral ‘doen’ in plaats van ‘uitleggen’ en voor samenwerken met de wereld buiten school, die verder gaat dan een gastspreker uitnodigen. Uiteraard gebeurt er al veel op dit gebied, maar nog niet overal en zeker nog niet vergaand genoeg.

Interessant was hoe de andere spreker, Bart Giethoorn, een link legde tussen het spelen van games en les op school. De centrale vraag was: wat maakt het spelen van games zo aantrekkelijk en wat kunnen we daarvan leren voor de schoolpraktijk?

Een greep uit de kenmerken: de spelers doen iets; de spelers hebben een doel (dat duidelijk, betekenisvol, haalbaar en uitdagend is); er is sprake van enige autonomie; de spelers krijgen snel feedback (zien het gevolg van hun acties: overnieuw of een level omhoog). Een mooi lijstje om als anti-pestcoördinator te gebruiken als je bijvoorbeeld wil dat je collega’s gaan werken volgens het aangepasten pestprotocol.

Presentatie van een groepje

Terug naar waar ik voor kwam: het ervaren van Appreciative Inquiery in een professionele dialoog. Mariska Stuivenberg begeleidde ‘ons’ groepje. Even terzijde – wat is het toch leuk om met wildvreemde mensen aan tafel te zitten en na een kwartiertje te ervaren dat wij bij elkaar horen en een groep zijn… Er werd gewerkt met verschillende rondes, zoals ‘welke woorden komen in jou op als je denkt aan ‘de docent van de toekomst’ en – hup – een rondje waarin we allemaal melden wat we hebben opgeschreven. Gestimuleerd werd om nieuwsgierig te zijn en dus vragen te stellen aan de ander in plaats van jouw mening er tegenover te zetten. Ook de ronde waarin er ‘gedroomd’ mag worden, werkt heel stimulerend.
De laatste ronde waarin we met elkaar creatief aan de slag gingen met het resultaat van deze groep, hoeft voor mij dan weer niet zo. Is wel heel samenbindend en we hebben veel gelachen. Ik zou in die tijd liever een aanzet maken voor een plan van aanpak of voor een eerste actie.

Creatief resultaat

Deze kennis en ervaring ga ik uiteraard ook gebruiken in de cursus anti-pestcoördinator die plaatsvindt op 3 en 4 oktober 2017. Zie http://www.aanpakpesten.nl/cursus-anti-pestccoordinator/

 

30 mei 2017

Iedereen kan iets doen om pesten te stoppen

By |30 mei 2017|Nieuws, Pesten op school, Sta Sterk, Trainingen|

Het interview met de moeder in de Volkskrant van een dag of tien geleden, zette mij aan het denken. Deze moeder vroeg zich af wat zij had kunnen doen om de zelfdoding van een meisje van 16 uit de klas van haar zoon, te voorkomen. Dat deed mij denken aan de situatie van een paar weken geleden. Ik fietste door het Vondelpark na een bezoek aan de tandarts naar huis.

Helemaal tof voelde ik me niet, want de verdoving begon uit te werken. Ik hoorde plotseling gejammer. Ik spitste mijn oren: een kind dat bij zijn ouders is en dreint? Een meisje dat belaagd wordt door een jongen of jongens? Het gejammer hield aan. Het was ergens echt niet pluis. Ik besloot op onderzoek uit te gaan, en jawel, een jongen van een jaar of 11 in lichte staat van paniek staat bij fietsen en twee jongens staan er met stokken bij. Dus ik denk ‘zoek het uit’ en fiets weg… Nee, natuurlijk niet! Ik vraag wat hier aan de hand is. Ik zorg dat de jongen zijn fiets kan pakken en weg kan gaan. Zonder overigens die twee boosdoeners de mantel uit te vegen, want ik weet natuurlijk niet echt wat er is voorgevallen.

Wat mij nu het meeste raakte in de hele situatie is niet dat dit soort pestgedrag vóórkomt. Dat weet ik natuurlijk wel. Maar dat iedereen in dat park gewoon doorging met fietsen, lopen, op het gras hangen, terwijl die natuurlijk ook het gejammer van dat kind kunnen horen. Er is een uitspraak die ik me niet exact herinner, maar iets als ‘de meeste pijn wordt niet veroorzaakt door daders, maar door de mensen die toekijken’. Ik hoop maar dat ik gewoon de eerste was die kwam kijken.

Had ik anders moeten handelen? Had ik die pestkoppen wel bozer moeten toespreken? Had ik moeten vragen naar namen, en school en klas om zo de school in kennis te stellen? De jongen zei mij een eindje verder: ‘het zijn ook mijn vrienden; soms doen ze leuk en soms doen ze zo’. Had ik moeten zeggen: ‘goh, fijne vrienden; ik zou andere zoeken’. Maar ik weet dat er kinderen zijn die blij zijn dat ze tenminste ergens bij horen.

Jammer vind ik dat ik de pestkoppen niet iets meer informatie heb gegeven – naast mijn uitspraak dat ‘dit toch verdomd veel op pesten lijkt’ – zoals:
– Dit is pesten en hier beschadig je de ander mee;
– Dat is niet over, als hij straks misschien weer lacht; dat vreet aan je. Jullie maken iemand ongelukkig.
– Als kinderen lang worden gepest worden ze ziek in hun hoofd (depressief) en sommigen plegen zelfmoord.
Of niet?

Wel tevreden ben ik over het feit dat ik er niet te hard ben ingegaan. Want daarvan weet ik dat het frustrerend kan zijn voor pesters. Waardoor zij soms deze frustratie weer afreageren op de minst weerbare. En over dát ik iets deed, waardoor de gepeste jongen in ieder geval hulp heeft ervaren.

Terugkomend op het verhaal van die moeder. Die vertelde zo mooi dat ze bij haar eerste kind altijd zei als die op schoolreis of zo ging: ‘heb plezier’. En dat ze inmiddels tegen haar tweede kind iets zegt als: ‘heb plezier en let erop dat anderen het ook leuk hebben’. Prachtig!

7 mei 2017

Hardnekkige slachtoffers van pesten

By |7 mei 2017|Nieuws, Pesten op school, Trainingen|

Vorige week attendeerde een collega mij op een serie bijeenkomsten in Amsterdam. Onder de naam ‘Proost op de wetenschap’ vertellen wetenschappers in het kort hun bevindingen aan een breed publiek. Iedere belangstellende is welkom, als je je maar opgeeft via hun website. Het blijkt een heel fijne opzet. Kort, helder en ruimte voor vragen en discussie. Dus stapte ik op mijn fiets naar Spui 25.

Mijn belangstelling betrof uiteraard het thema pesten. Tessa Kaufman, onderzoeker aan de Universiteit Groningen, vertelde over haar onderzoek naar ‘chronische slachtoffers van pesten’. In een half uur nam zij de belangrijkste bevindingen uit haar onderzoek met de aanwezigen door. Daarna was er ruimte voor discussie.

De Universiteit Groningen heeft het succesvolle anti-pestprogramma KiVa uit Finland in Nederland (met enige aanvullingen) geïntroduceerd. Wat blijkt nu na onderzoek? Dat veel, maar niet alle leerlingen die gepest werden, rapporteren dat het pesten (grotendeels) is gestopt. Er blijft een groep ‘hardnekkige slachtoffers’ over. Kaufman noemt deze dus ‘de chronische slachtoffers van pesten’.

Die term is wel heel duidelijk, maar niet zo hoopvol. Immers, als een ziekte chronisch is, dan gaat deze nooit over en kan er alleen wat gedaan worden aan de gevolgen. Laten we hopen dat deze slachtoffers van pesten wel op de een of andere manier geholpen kunnen worden. Kunnen we deze groep overigens niet beter ‘hardnekkige slachtoffers’ noemen?

Kaufman c.s. is nog bezig met het nader bekijken van de onderzoeksresultaten, maar meldde wel dat zij nu nadenken over een aanvullende training voor deze groep slachtoffers. Het idee is dat deze groep kinderen ‘onhandig’ omgaat met hun medeleerlingen, waardoor deze andere leerlingen stoppen met het betrekken van en aardig doen tegen deze ‘chronisch gepesten’.

Wat ik daar zelf lastig aan vind, is mijn overtuiging over het omgaan met elkaar in groepen. Ik vind dat je niet al je klasgenoten aardig hoeft te vinden om er ‘normaal’ (als ‘collega’s’) mee om te gaan. Natuurlijk is dat niet altijd gemakkelijk. Iedereen vindt het fijn dat als jij aardig tegen een ander doet, diegene ook eens aardig terug doet. Maar als dat niet gebeurt, is dat nog geen reden om diegene te pesten. Kortom, ook de andere klasgenoten hebben vast nog wat te leren.

Wat bezielt deze ‘hardnekkige slachtoffers van pesten’ eigenlijk om niet ‘gewoon’ en ‘aardig’ met anderen om te gaan? Ik denk dat dat geen keuze van hen is, maar dat het hem zit in andere zaken. Er kan natuurlijk iets aan de hand zijn zoals ADHD, autisme(eventueel in beperkte mate), etc. Twee andere factoren zijn mijn inziens:
– Als je lange tijd gepest bent, dan levert dat schade op: op korte termijn onder andere angst, verdriet, boosheid; en op langere termijn onder andere depressieve gevoelens en gebrek aan vertrouwen in anderen. Kortom, waren deze kinderen al ‘anders’ voordat ze werden gepest of zijn ze ‘anders’ geworden door het gepest? En hebben ze een schild om zich heen gebouwd waardoor ze niet meer vanuit vertrouwen met anderen kunnen omgaan? Enig bewijs voor deze stelling komt uit onderzoek waaruit blijkt dat pestslachtoffers (en overigens ook agressievere kinderen) hun omgeving als vijandiger zien dat de andere leerlingen in hun klas.
– Als je langere tijd gepest bent, en dus veel minder hebt kunnen meedoen met andere kinderen, dan heb je niet de kans gekregen om je sociale vaardigheden net zo goed als anderen te ontwikkelen.

Lastig om zo sociale vaardigheden te oefenen

Omgaan met Pesten biedt deze groep hardnekkige slachtoffers al 20 jaar soelaas. De Sta Sterk training is ontwikkeld met het oog op deze groep. Naast assertieve vaardigheden (hoe reageer je het beste op naar gedrag), werkt deze training ook aan ‘een andere kijk op de omgeving’ en een groter zelfvertrouwen. Pas als dat onder de knie is, gaat de trainer sociale vaardigheden aanleren, zoals het voeren van een gesprekje en het effectief zorgen dat je kunt meedoen aan een spel. Interesse? Kijk op de pagina over de training.

Scholen versterken de sociale veiligheid voor hun leerlingen door deze groep in het vizier te krijgen, zodat er gewerkt kan worden aan wat leerlingen nodig hebben om anders te handelen. Of je nu pester, meeloper of slachtoffer bent. Daarvoor is kennis en inzicht in de pestproblematiek nodig.

Deze leerlingen leren herkennen? Meer handvatten nodig? Omgaan met Pesten biedt al jaren de cursus Anti-pestcoördinator, waarin alle aspecten van deze functie aan bod komen. Twee dagen, 5 dagdelen.
Kijk op cursus anti-pestcoordinator En download de studiegids. Vragen? Stuur me een mail.

Samenwerken…

6 maart 2017

Scholen doen het goed en: het kan altijd beter: lessen uit onderzoek Oldenburg

By |6 maart 2017|Nieuws, Pesten op school, Workshops|

Eind januari stonden de media bol van het opzienbarende nieuws naar aanleiding van het onderzoek van Beau Oldenburg: ‘Leraren moeten pesten tegengaan? Ze hebben geen idee wie er gepest wordt’ (RTL Nieuws); ‘Klaagt leerling over pesters? Wuif het niet weg (AD); ‘Gepest in de klas? Dan is de leraar verantwoordelijk’ (Seven Days). Wat staat er nu eigenlijk in dat onderzoek en wat kunnen we ervan leren?

Sommige leerkrachten kregen het gevoel dat zij het ‘weer eens niet goed doen’. De leerkracht aan de schandpaal nagelen, is niet terecht en de frustratie en boosheid die dat oproept is zonde van de energie. Wij hebben het in onze nieuwsbrieven al eerder gezegd: als leerkracht is het onmogelijk om alles wat er onder leerlingen speelt te zien en het praten over pesten is voor leerlingen niet gemakkelijk. Laten we kijken wat leerkrachten wél kunnen.

1.
Er blijkt meer pesten voor te komen in klassen waarin de leerkracht het pesten toeschrijft aan externe factoren. Logisch, als je denkt dat pesten plaatsvindt omdat pesters slecht worden opgevoed of omdat slachtoffers door hun ouders in de watten worden gelegd en daardoor overdreven gevoelig worden, zal je minder doen tegen pesten. Wat dus nodig is, is een juist beeld bij allen in het onderwijs werkzaam, van welke factoren pesten veroorzaken en verergeren. Ani-pestcoördinatoren kunnen een goede rol spelen in het verduidelijken hiervan. Bij pesten speelt een grote rol dat pesters graag macht willen om zo een hoge status te bemachtigen of te houden.

Gesprek over de pauze

2.
Van de 71 leerlingen die zelf aangeven gepest te worden, zijn maar 18 leerlingen die als pestslachtoffer worden herkend door hun leerkracht. Dit verschil is niet weg te redeneren door bijvoorbeeld te zeggen dat sommige pestslachtoffers hun situatie overdrijven, zoals soms zal gebeuren. Hierover kan nog veel meer worden gezegd en tegenin worden gebracht, maar dat doen we nu niet. De focus ligt op: hoe kunnen we ervoor zorgen dat meer leerkrachten pestslachtoffers herkennen? Er is een veelheid aan mogelijkheden die leerkrachten hebben. We hebben er al eerder nieuwsbrieven aan gewijd.
We noemen er hier drie:
a. Laat kinderen na de pauze in een kring eens vertellen wat ze in de pauze leuk en niet leuk vonden van het gedrag van andere kinderen. En dan zonder de naam van de ander te noemen. De kinderen weten vaak wel wie er wordt genoemd, maar dat wuif je weg. Is (nu nog) even niet belangrijk. In het gesprek over het gebeurde (wat deed die ander dan precies? wat vond je er niet leuk van? wie kan zich dat voorstellen? is er iets wat een ander had kunnen doen voor jou?) komt impliciet aan de orde: wat zijn grenzen van een ander; welke normen en waarden hebben wij hier in de groep, etc. Je kunt het gesprek ook leiden naar een afspraak die we met elkaar kunnen maken. Wees zelf mild: veroordeel het gedrag niet als vreselijk, maar doe ook niet net alsof het oké is. We doen allemaal wel dingen waarvan we later denken dat we dat liever niet hadden gedaan. Heel leuk was dat een kind in de groep iets vertelde over de ander, en toen het gesprek hierover klaar was kwam de ‘dader’ met iets dat hij niet fijn had gevonden wat ‘het slachtoffer’ deed. Daar moest de groep om grinniken. Mooi dat dit gebeurde. Soms is naar gedrag immers een reactie op ander naar gedrag.
b. Scholen moeten sinds augustus 2015 meten hoe het in de school met de sociale veiligheid is gesteld. Dat neemt niet weg dat je ook heel goed een kort vragenlijstje kan laten invullen waarin de klas zelf aangeeft wie vaak welke rol heeft in de groep, en waarin kinderen kunnen aangeven hoe vaak zij worden gepest en door wie. Zeker als je meldt dat je met hun antwoorden niet de pester gaat straffen, maar dat je wilt weten hoe het zit zodat je kunt helpen. Geen garantie dat slachtoffers het melden, maar wel een kans. Vergeet ook niet om de kinderen dan te laten aangeven wie er volgens hen wordt gepest. Uit het onderzoek van Oldenburg bleek namelijk dat leerling hun pestervaringen vaker vertellen tegen vrienden en familie.

ouders en school werken samen

c. Betrek ouders. Zij kunnen een goede bron zijn van informatie. Niet alleen als hun eigen kind slachtoffer van pesten is, maar ook als zij thuis van hun kinderen verhalen over andere kinderen horen. Maak wel goed duidelijk (ouderavond?) dat pesten een lastig probleem is en dus niet 1,2,3 is opgelost.

2 februari 2017

Cursus Anti-pestcoördinator op 4 en 5 april

By |2 februari 2017|Nieuws|

Op 4 en 5 april geef ik weer met collega Mirelle Valentijn de cursus Anti-pestcoördinator in Driebergen. In deze tweedaagse cursus zit alles wat u als anti-pestcoördinator in uw werk zal tegenkomen. Praktisch, gebaseerd op kennis uit de praktijk en uit onderzoek. Meer informatie vindt u op www.omgaanmetpesten.nl

6 september 2016

Denken scholen te gemakkelijk over de anti-pestwet?

By |6 september 2016|Nieuws, Pesten op school, Trainingen, Workshops|

Een jaar geleden is de anti-pestwet, officieel: de wet sociale veiligheid op school, in werking getreden. Vanaf 1 augustus 2016 gaat de onderwijsinspectie letten op de uitvoering ervan door scholen.

boos reageren op pesten

boos reageren op pesten

Er is door sommige organisaties nogal ‘sussend’ gereageerd op deze wet:
– alleen de 10 á 20 procent van de scholen die hun beleid niet op orde hebben, zouden ‘aan de gang’ moeten,
– de meeste scholen doen al aan monitoring van het welbevinden van hun leerlingen, en
– het was vóór deze wet al verplicht om een anti-pestprotocol te hebben.

In de memorie van toelichting bij de wet, staan een aantal zaken die de wet verduidelijken. Uit deze tekst blijkt dat scholen wel degelijk goed moeten kijken naar de verplichtingen die de wet stelt. Hierbij de vijf verplichtingen voor het voetlicht

1. Het gaat om beleid dat wordt uitgevoerd. Het is niet voldoende om alleen beleid op papier te hebben; het beleid moet uitgevoerd worden (‘stevig verankerd in de dagelijkse praktijk van de school’) . Een belangrijke vraag voor scholen is dan ook: hoe krijgen we het in de hoofden, harten en handen van alle medewerkers?
Sterker, ook het vormgeven van het beleid dient in samenspraak met anderen te geschieden: ‘Een school dient het beleid te vormen met alle betrokkenen in de school (leerlingen, leraren, medezeggenschapsraad, ouders).’

2. Het beleid mag niet bestaan uit één enkele actie. Het kan niet zo zijn dat een school zegt: ‘wij werken met anti-pestprogramma X, punt.’ Het gaat om ‘een set van samenhangende maatregelen te ontwikkelen, gericht op preventie en op het afhandelen van incidenten.’

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

3. Het beleid dient kenbaar gemaakt te worden aan allen die ermee te maken (kunnen) krijgen. In de memorie van toelichting staat zelfs: De schoolleiding maakt in de schoolgids duidelijk wie welke taken heeft.
De afgelopen weken heb ik diverse websites van scholen bekeken. Ik vond slechts een enkele school waarbij helder werd gemaakt bij wie ik terecht kon in het geval van een pestprobleem.

4. De taak coördinatie van het anti-pestbeleid dient bij iemand te zijn belegd. Met deze taak wordt bedoeld dat één persoon binnen de school belast is met ‘de coördinatie van beleid in het kader van het tegengaan van pesten’. Dat zal dus iemand moeten zijn die niet alleen veel weet op het pestprobleem en effectief handelen daarbij, maar ook iemand die beleid kan formuleren en implementeren. Ook de taak ‘aanspreekpunt’ moet een persoon op zich nemen. Die fungeert als de vraagbaak voor ouders en collega’s.
Vaak zullen scholen ervoor kiezen om deze taken bij één persoon neer te leggen. In de memorie van toelichting: ‘Deze persoon kan vanuit zijn opgebouwde kennis op het gebied van pesten bijvoorbeeld fungeren als klankbord voor leraren met vragen en adviseur zijn van de schoolleiding op het gebied van de structurele aanpak van pesten.’ Is de huidige kennis over pesten van uw ‘anti-pestcoördinator’ actueel genoeg om alle vragen te beantwoorden en om beleid te ontwikkelen en te implementeren?

5. Monitoring is het laatste belangrijke onderdeel van de wet. Iedere school moet regelmatig, een keer per jaar, inventariseren hoe het staat met de beleven sociale veiligheid op de school. Een veiligheidsbeleid leidt immers niet zonder meer tot een veilige school: ‘de gegevens over sociale onveiligheid zijn nodig om te kunnen vaststellen of verbetering of aanpassing van beleid nodig is.’ Veel scholen hanteren al een vragenlijst om dit te meten. Echter, doel van de wet is: terugdringen van aantal gepeste kinderen. Wat gebeurt er dus met de resultaten van deze inventarisatie? Welke aanpassingen voert de school door om de situatie – hoe goed ook – te verbeteren?
Om te kunnen controleren heeft de inspectie ‘toegang tot de monitorgegevens van de school, en ziet erop toe dat scholen op basis daarvan zo nodig vroegtijdig maatregelen tot verbetering treffen’.

Snel en up-to-date geïnformeerd zijn? De cursus Anti-pestcoördinator van stichting Omgaan met Pesten behandelt alle relevante zaken.
Meer informatie:
cursussen@omgaanmetpesten.nl

25 juli 2016

Schutter van ‘München’: …een vaak gepeste jongen…

By |25 juli 2016|Nieuws, Pesten op school|

In de Volkskrant van vandaag (25-7-2016) staat een profiel van Sonboly, de dader van de schietpartij in München op vrijdag 22 juli jl. In de kop staat: ‘Een eenzame, vaak gepeste jongen met oorlog in zijn hoofd.’ Dader en slachtoffer tegelijk.

Eerst een relativering: niet iedere gepeste jongere wordt dader van een schietpartij. Gelukkig niet, want dan zouden dergelijke schietpartijen veel vaker voorkomen. Is er dan een verband tussen pesten en daderschap? Ja. Niet in de zin dat ‘gepest worden’ de enige oorzaak zal zijn, maar het is heel logisch dat het meespeelt.

Pesten heeft veel gevolgen, zo blijkt uit onderzoek. Verdriet, angst, eenzaamheid, boosheid, depressieve gevoelens. Dat laatste kan op den duur leiden tot zelfdoding, maar ook tot ‘anderen doding’. Als er maar de nodige ingrediënten bijkomen.

Pesten heeft een enorme impact op een slachtoffer. Het allerbelangrijkste is: je hoort er niet bij. Dát maakt pesten zo verschrikkelijk. Ieder mens heeft de behoefte om bij de groep te horen: bij je gezin, je familie, de schoolklas, de buurt, de sportclub. Als aan die behoefte niet wordt voldaan, dan is dat erg slecht voor je zelfbeeld, je gevoel van eigenwaarde, je vertrouwen in andere mensen, je psychische gezondheid.

Deze gedeeltelijk verklaring voor zijn gedrag maakt zijn daad natuurlijk niet minder erg. Zoveel jonge, onschuldige mensen gedood en gewond. Wat kan ik doen? Niet veel. Maar wel: proberen om anderen – ook al begrijp ik ze niet of ben ik het niet met hen eens – in te sluiten.

13 april 2016

Leuke weetjes uit hersencongres

By |13 april 2016|Nieuws, Pesten op school, Workshops|

Testje: de spreker schotelt zijn gehoor een geheugentest voor. We moeten een serie woorden onthouden die hij later gaat terugvragen, zoals winter, kerst, schaats, wit, ski… Later vraagt hij om de handen op te steken als je het woord herkent: kerst …handen gaan omhoog, wit …handen gaan omhoog, sneeuw …. handen gaan omhoog ….Gefopt! Die stond er niet bij!

Deze, en andere interessante informatie kwam voorbij in het 5e Hersencongres met de inspirerende titel ‘wat je zegt ben je zelf’, dat ik gisteren volgde.

presentatie op hersencongres

presentatie op hersencongres

Maar, hoe komt het nu dat we ons zo kunnen laten foppen? Dat heeft te maken met de werking van het geheugen. Iedereen maakt als het ware schema’s in het hoofd en vult ‘gaten’ in met andere informatie. Wat we hiermee kunnen als het om pesten gaat? Wees voorzichtig met beweren dat iemand liegt als een gebeurtenis anders heeft plaatsgevonden dan iemand beweert. Meer informatiebronnen kunnen misschien enigszins uitkomst bieden.

Een ander interessant deel van de presentatie ging over het onthouden over langere tijd. We onthouden van een heftige gebeurtenis na verloop van tijd net zo veel (of liever: net zo weinig) dan van weinig emotionele gebeurtenissen. We dénken echter dat we ons die veel beter kunnen herinneren. Zo moest de onderzoeker de mensen die hij na 2 ½ jaar weer sprak over ‘nine-eleven’ zelf het uitgeschreven interview van de dag na 9/11 laten lezen om te laten zien dat zij het zich niet meer juist herinnerden. De vraag is of dat erg is. Wel bij getuigenverklaringen natuurlijk en ook als je ruzie zou krijgen omdat jouw verhaal niet klopt met dat van een ander.

foto van infomarkt congres
Ook het sociale brein – op beter het puberende sociale brein – kwam aan bod. Een bijzondere ontdekking voor mij was dat het striatum, het beloningscentrum in de hersenen, meer activiteit vertoont tijdens contacten met vrienden. Met andere woorden: contact met vrienden fungeert als een beloning op zich. Handig om te weten als je omgaat met jongeren.

Ander onderzoek liet zien dat ‘meekijkende leeftijdgenoten’ de kans op risicovol gedrag onder 14-jarigen enorm vergrootte, op 19-jarige leeftijd al iets minder en niet af nauwelijks meer op 37-jarige leeftijd. ‘Automobilisten, komt u weer fietsende pubers tegen met hun drieën of meer naast elkaar? Vervelend en gevaarlijk, maar het zijn de hersenen! Die u vroeger ook had; al deed u misschien andere onbesuisde dingen. Maar ja, dat bent u – net als ik – alweer vergeten, natuurlijk.

Tot slot: ook een leuk verhaal over het zelf: zelfbeeld, zelfwaardering etc. Dat bood zoveel belangrijks dat ik er over enkele dagen een apart verhaal aan wijd.

27 maart 2016

Drie noties n.a.v. congres Medilex over Pesten

By |27 maart 2016|Nieuws, Pesten op school, Workshops|

Afgelopen woensdag en donderdag heb ik, met mijn collega Mirelle Valentijn, workshops verzorgd op de Medilex-dag ‘Pesten in het onderwijs’. Interessante bijdragen in de ochtend; alhoewel niet iedereen een inspirerende spreker bleek.

Van folder Medilex-congres p.o. Van folder Medilex-congres p.o.
Drie voor mij opvallende zaken wil ik hier graag uitlichten:
1. Eén van de sprekers vond ‘pesten’ een naar woord. Woorden zijn op zich nooit naar. Woorden zijn gewoon een bepaalde combinatie van letters. Wat het naar maakt, is de betekenis die de lezer/spreker eraan geeft. Ja, natuurlijk is pesten naar; niet het woord, maar het gedrag. Dat zullen de 10-15% van de slachtoffer beamen; evenals de groep die niet meedoet met het gepest. Zij noemde ook: ‘alles wat je aandacht geeft, groeit’. En dus zou je niet meer over ‘pesten’ moeten spreken, maar over ‘sociale veiligheid’.

Mijn zorg:
Creëer je zo geen nieuw taboe? Pesten is voor kinderen/jongeren een heldere term. Laat gepeste kinderen (en alle andere die eronder lijden) niet in de kou staan. Dus, heet je op school ‘coördinator sociale veiligheid? Maak dan aan leerlingen en ouders héél goed duidelijk waarvoor ze bij jou terecht kunnen.

2. Roelof Wolters maakte goed helder dat de start van een groep zoveel mogelijkheden biedt om er een veilige groep van te maken. Neem daar twee weken de tijd voor. Dat betaalt zich terug in een werkbare groep. Als je in die weken dan wel het juiste doet:

– samen met de groep afspraken maken over ‘hoe gaan we hier met elkaar om’. Dus niet: ‘dat hoeft niet want we hebben al regels hier op school.’ Als je samen afspraken maakt, dan houdt iedereen zich ook beter aan die afspraken; en zo niet, dan kun je leerlingen er op wijzen: de leerling heeft immers zelf meebesloten.

– elkaar leren kennen. Dit is een buffer voor grensoverschrijdend gedrag naar elkaar toe. Dus veel spellen/opdrachten in wisselende groepjes doen.

– probeer – ook als het (te) onrustig is – oogcontact te blijven maken met de leerlingen in de klas. ‘Uit het contact gaan’ helpt zeker niet.

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

Van folder Medilex congres pesten in v.o.

3. Inzetten op preventie – zoals de bijdragen in de ochtenden – is heel belangrijk. De kennis over ‘wat te doen als er wordt gepest’ had van mij een grotere plaats mogen hebben. Even kort door de bocht een paar belangrijke handelingen:

– zeg er altijd iets van als je grensoverschrijdend gedrag ziet. Dat kan met een blik, een korte opmerking of een korter of langer gesprek, maar stel de norm.

– als je iets over pestgedrag zegt, laat dan de gepeste in haar/zijn kracht. Zeg dus liever iets van ‘ik voel me rot/vervelend als dit gebeurt’ of ‘ik vind dat over grenzen gaan’ en niet ‘daar wordt hij/zij (wijzend naar slachtoffer) verdrietig van’ of ‘je ziet toch dat hij/zij het niet leuk vindt…’ Dat klopt allemaal wel, maar de positie van de gepeste wordt er niet sterker door.

– Praat met gepeste, praat met pester, en eventueel samen.

Meer scholing:
– 2 april gratis infomiddag Omgaan met Pesten
– 20/21 mei: start opleiding trainer Omgaan met Pesten
– 24/25 mei: tweedaagse cursus Anti-pestcoordinator
[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]